De Orde heeft een alleenrecht aangaande de medische deontologie. De toepassing van regels wordt verbonden aan disciplinaire sancties die uitgevaardigd worden. Maar daarnaast is de Orde ook belangenbehartiger van de artsen. De Orde gebruikt haar disciplinaire functie ter verdediging van een bepaalde visie op de geneeskunde. Op die manier worden corporatistische belangen boven de kwaliteit van het beroep van de arts, en dus de belangen van de patiŽnt, geplaatst. Dit is in strijd met de democratische basisprincipes in een rechtstaat.

 

Een patiŽnt die gaat aankloppen bij de Orde blijft in de kou staan en wordt niet ingelicht over het resultaat van een klacht. Mogelijkheden tot beroep bestaan niet en een schadevergoeding vragen kan niet. De wetgever is er in 1938 namelijk van uitgegaan dat deontologie en tucht alleen de betrokken arts en 'zijn' orde aanbelangen. Meer dan een rol als klokkenluider kan de patiŽnt niet spelen. De tuchtraden bestaan uitsluitend uit verkozen collega's van de aangeklaagde arts. De aanwezige beroepsmagistraat heeft alleen een adviserende stem. PatiŽnten hebben dan ook vaak de indruk bij de duivel te biecht te gaan.

Het is ook onduidelijk welke handelingen tuchtrechtelijk laakbaar zijn. Een strafrechter past het strafwetboek toe, dat is klaar en duidelijk. Maar de code van medische plichtenleer, opgesteld in 1975 en talrijke keren aangepast, is juridisch niet bindend. De tuchtraden doen aan eigen rechtsvinding, maar ook dat boezemt niet veel vertrouwen in. Daar komt bij dat de uitspraken van de tuchtraden niet systematisch worden gepubliceerd. Dat gebrek aan openheid voedt niet alleen het wantrouwen tegenover die tuchtraden. Het verhindert dat artsen en patiŽnten er lessen uittrekken.

Maar al deze pijnpunten verzinken in het niets bij de belangrijkste kritiek. Het bestaande tuchtrecht is niet geschikt als instrument om de deskundigheid en de kwaliteit van de beroepsuitoefening te bewaken.

 

Vroegere pogingen om het tuchtrecht in die zin te wijzigen, onder meer door de toenmalige minister van Sociale Zaken Jean-Luc Dehaene in 1987, zijn op niets uitgelopen. Sedertdien zijn deze pogingen een zachte dood gestorven.

http://www.kuleuven.be/cbmer/page.php?LAN=N&ID=19&FILE=opinion_detail