BEKNOPTE HANDLEIDING

DESKUNDIGENONDERZOEK IN BURGERLIJKE ZAKEN

 

 

http://users.pandora.be/eric.beaucourt1/download/gent/deskundige.pdf

 

Doel van de handleiding

 

De bedoeling van deze brochure is - zonder al te veel in details te treden en in vogelvlucht - een

overzicht te geven van het verloop van de gerechtelijke expertise en van de problematiek van de

expertisekosten teneinde de beginnende expert te helpen bij het vervullen van de verschillende

formaliteiten die moeten nageleefd worden bij het uitvoeren van zijn opdracht en het opmaken van zijn verslag.

Daarnaast worden de wetteksten, zoals opgenomen in het Gerechtelijk Wetboek, weergegeven.

Woord vooraf: bedanking

De tekst van deze handleiding is met toestemming van Prof. P. Taelman overgenomen (en hier en daar ingekort) uit een cursus die hij doceert aan de Rechtsfaculteit van de Gentse Universiteit in het kader van een Postacademische Opleiding voor Gerechtelijke Experten.

De volledige cursus, die aan deskundigen wordt gedoceerd en die warm wordt aanbevolen,

bestaat in totaal uit een 230 bladzijden en bevat een grondig overzicht van de verschillende

soorten expertises, het verloop van de expertise, de bewijswaarde van het expertiseverslag, de

verhaalmiddelen tegen de expert en diens verslag, de expertisekosten en het beroepsgeheim van de deskundige, dit alles verrijkt met talrijke verwijzingen naar rechtspraak en rechtsleer.De cursus wordt afgesloten met een uitvoerige literatuurlijst.

Zelfs de delen die hierna worden weergegeven, komen in de cursus nog uitgebreider aan bod,

doch werden hier samengevat of ingekort.

Deskundigen die meer over deze postacademische opleiding wensen te weten komen, kunnen

zich in verbinding stellen met Prof. P. Taelman, Universiteit Gent, Universiteitstraat, 4, 9000 Gent

(Piet.Taelman@rug.ac.be).

I. HET VERLOOP VAN DE GERECHTELIJKE EXPERTISE IN VOGELVLUCHT

1. Kennisgeving van de opdracht, weigering of aanvaarding.

1.1. Kennisgeving van de opdracht.

De gerechtsdeskundige wordt (in de regel) niet automatisch van zijn opdracht op de hoogte

gebracht. De aanstelling van de deskundige bij vonnis geeft hem dus niet (meteen) het recht om

de expertise uit te voeren.

Op verzoek van de meest gerede partij zendt de griffier bij gerechtsbrief een eensluidend

verklaard afschrift van het vonnis dat het deskundigenonderzoek beveelt aan de deskundige (art.

965, eerste lid, Ger.W.).Deze laatste kan de hem toevertrouwde opdracht vervolgens weigeren of aanvaarden.

1.2. Weigering van de opdracht.

De weigering van de opdracht kan ingegeven zijn door de overweging dat deze opdracht niet

(meer) strookt met de specialisatie van de expert of door overwegingen van praktische of

deontologische aard.

1

Deze weigering dient niet noodzakelijk gemotiveerd te zijn, al zal de expert er - wil hij in de

toekomst nog als deskundige worden aangesteld - goed aan doen rechter en partijen in te lichten

over het waarom van zijn weigering.

1.3. Aanvaarding van de opdracht.

Aanvaardt de aangestelde deskundige zijn opdracht, dan geeft hij binnen de acht dagen per brief

aan de rechter en de partijen (en hun gebeurlijke raadslieden en/of technische raadslieden) - na

hieromtrent gebeurlijk via telefoon of fax overleg te hebben gepleegd - kennis van de plaats, de

dag en het uur waarop hij zijn werkzaamheden zal aanvangen (art. 965, tweede lid, Ger.W.).

De kennisgeving van het tijdstip van de installatievergadering geschiedt - om bewijstechnische

redenen - best bij aangetekende brief.

De termijn van acht dagen begint te lopen vanaf de verzending van de gerechtsbrief door de

griffier (Cass. 9 december 1996, P. & B. 1997, 46).

Het spreekt voor zich dat de termijn die verloopt tussen de aanvaarding van de opdracht en het

houden van de installatievergadering redelijk moet zijn, rekening houdend met de feitelijke

omstandigheden.

Meer dan eens, vooral als de oproepingsperiode eerder kort is, vraagt deze of gene partij om

verdaging van de installatievergadering. De deskundige dient de hiertoe aangevoerde redenen

zelf te beoordelen. Hij zal hierbij uiteraard de nodige soepelheid aan de dag dienen te leggen, al

was het maar om een schending van de rechten van verdediging van een procespartij te

vermijden.

De deskundige doet er tenslotte goed aan om, in zijn (aangetekende) brief aan de partijen, deze

reeds uit te nodigen hun stukken aan hem te overhandigen én aan elkaar mede te delen.

2. De installatievergadering.

De installatievergadering is de eerste belangrijke schakel in het verloop van de expertise. Tijdens

deze vergadering dient de expert volgende handelingen te stellen

de aan- of afwezigheid van partijen en hun raadslieden acteren;

aan partijen vragen of ze zich laten bijstaan door een technisch raadsman, zodat deze in

de toekomst kan worden uitgenodigd om aanwezig te zijn bij de expertiseverrichtingen;

aan de betrokken raadslieden vragen in welke hoedanigheid zij aan de verrichtingen

deelnemen;

navraag doen bij partijen (en hun raadslieden) of hij hen dient uit te nodigen bij alle of een

deel van zijn verdere verrichtingen;

de dossiers van partijen in ontvangst nemen;

controleren of de hem overhandigde documenten, stukken en nota's werden meegedeeld

tussen partijen;

de partijen aanhoren in hun uiteenzettingen en vorderingen en deze te acteren;

2

nagaan of partijen het eens zijn over de opdracht van de expert en of een wijziging van

deze opdracht zich niet opdringt;

nagaan of er geen gronden tot wraking of verschoning bestaan;

partijen inlichten nopens de oriëntatie die hij aan het verdere verloop van de expertise

wenst te geven (bijv. de noodzaak tot het verrichten van welbepaalde handelingen of het

beroep doen op het advies van een andere deskundige);

pogen om partijen (in eenvoudige zaken) te verzoenen, ten einde verdere expertisekosten

te vermijden.

De installatievergadering is van belang om 4 redenen:

het is de eerste en soms, weze het eerder uitzonderlijk, meteen de laatste maal dat partijen

de deskundige in persoon ontmoeten;

partijen (en hun technische en/of juridische raadslieden) hebben de mogelijkheid de

historiek en de oorzaken van het geschil uiteen te zetten;

het debat verloopt tegensprekelijk en de deskundige kan zich onmiddellijk rekenschap

geven van hetgeen partijen verdeelt, scheidt of samenbrengt;

tenslotte en bovenal is iedereen ter plaatse aanwezig, d.i. op de plaats waar de

moeilijkheden of betwistingen ontstaan zijn, nog voortduren en in elk geval dienen opgelost

te worden.

3. De verdere expertiseverrichtingen.

3.1. Algemeen

Bij het verrichten van zijn werkzaamheden zal de deskundige er steeds dienen over te waken dat

de expertisekosten in verhouding blijven tot de waarde van het geschil.

Dient de expert handelingen te verrichten waarvan de kostprijs onevenredig zou kunnen zijn met

deze waarde, dan moet hij partijen hiervan op de hoogte te brengen, zodat hij hun akkoord kan

bekomen nopens het beperken van het deskundigenonderzoek tot minder dure verrichtingen, het

afsluiten van de opdracht van de expert in de staat waarin het onderzoek zich bevindt, of het

verrichten van de geplande verrichtingen zonder rekening te moeten houden met de waarde van

het geschil.

Het is bovendien de taak van de expert om de expertiseverrichtingen in een sereen en constructief

klimaat te laten plaatsvinden. De deskundige zal met name moeten vermijden dat de spanningen

of zelfs de vijandschap tussen partijen de zoektocht naar de (gerechtelijke) waarheid in de weg

staan.

3.2. Herstellingswerken uitgevoerd in de loop van de expertise.

Strikt genomen kunnen de herstellingswerken worden uitgevoerd van zodra de deskundige de

nodige vaststellingen heeft verricht. Het komt bijgevolg aan de deskundige toe te bepalen wanneer

zijn vaststellingen zijn beëindigd. Een voorzichtige deskundige zal echter op voorhand aan alle

partijen vragen of ze met de herstellingswerken akkoord kunnen gaan dan wel of ze zelf nog

bijkomende vaststellingen willen (laten) verrichten.

3

Indien mogelijk dient met de uitvoering van de werken te worden gewacht totdat het voorverslag

aan partijen werd overgemaakt; aan de hand van de opmerkingen van partijen op dit verslag kan

immers worden bepaald of er nog bijkomende vaststellingen dienen te worden verricht.

Wat deze herstellingswerken betreft, dient voorts opgemerkt dat de deskundige de leiding ervan

best niet zelf op zich neemt, ten einde te vermijden dat hij al te diep wordt meegesleurd in een

gebeurlijke betwisting tussen partijen omtrent die herstellingswerken, hetgeen desgevallend zijn

beroepsaansprakelijkheid in het gedrang kan brengen.

4. Het voorverslag.

4.1. Doel van de mededeling.

Na afloop van de expertiseverrichtingen geeft de deskundige aan de partijen - en hun (technische)

raadslieden - kennis van zijn bevindingen, en tekent hun gebeurlijke opmerkingen aan (art. 978

Ger.W.). Partijen kunnen hem van deze formaliteit vrijstellen.

De mededeling van het voorverslag heeft een dubbel doel: enerzijds biedt het partijen de

mogelijkheid hun opmerkingen op dit verslag binnen de door de deskundige bepaalde termijn -

kenbaar te maken (zodat de tegenspraak ten volle wordt gewaarborgd), anderzijds kan het in

bepaalde gevallen toelaten om onregelmatigheden in het verloop van het deskundigenonderzoek

te regulariseren.

4.2. Inhoud en vormvereisten.

De mededeling waarvan sprake geschiedt bij voorkeur (en onder voorbehoud van vrijstelling van

formaliteit) bij ter post aangetekende brief.

Het voorverslag - dat dient te worden opgesteld in de taal van de rechtspleging, d.i. de taal van het

aanstellingsvonnis, dient minstens volgende elementen te bevatten:

de naam en het adres van de expert, van de procespartijen en van de (technische)

raadslieden van laatstgenoemden;

een uittreksel uit het aanstellingsvonnis en de integrale tekst van de aan de expert door de

rechter gegeven opdracht (desgevallend uitgebreid door partijen);

de wijze van kennisname van de opdracht;

de vermelding van de data en van de wijze van oproeping van partijen, en van hun aan- of

afwezigheid tijdens de expertiseverrichtingen;

een inventaris van de aan deskundige overgemaakte stukken en gebeurlijk een afschrift

van de, voor een goed begrip van het voorverslag, interessante stukken;

een weergave (minstens een synthese) van alle mondelinge en schriftelijke verklaringen,

opmerkingen, vragen en vorderingen van partijen en gebeurlijk de redenen waarom op een

bepaald verzoek van een partij of partijen niet werd ingegaan;

4

een zo volledig mogelijk, chronologisch overzicht van alle vaststellingen en verrichtingen

die de deskundige heeft verricht (zoals een plaatsbezoek, een proefneming, een

onderzoek van de stukken, het inwinnen van inlichtingen bij derden, het inwinnen van het

advies van een specialist, enz.) en gebeurlijk de motieven die ten grondslag lagen aan het

(laten) verrichten van een bepaalde handeling;

de bevindingen van de deskundige.

Er bestaat discussie over het feit of het voorverslag reeds de conclusies van de deskundige mag

bevatten.

Wanneer de deskundige in zijn voorverslag conclusies opneemt dan doet hij er goed aan deze

aan te merken als "voorlopige conclusies", die desgevallend kunnen worden herzien op basis van

de argumenten en elementen aangebracht door de partijen in antwoord op de preliminaria. Hij zal

bovendien over de nodige intellectuele eerlijkheid moeten beschikken om zijn zienswijze, na

ontvangst van de opmerkingen van partijen, zonodig te herzien.

Het voorverslag dient - in tegenstelling tot het definitieve expertiseverslag - niet te worden

ondertekend; het dient evenmin voorzien te zijn van de eedformule.

4.3. Opmerkingen van partijen.

De mededeling van het voorverslag heeft, zoals gezegd, tot doel partijen toe te laten hun

opmerkingen hierop te laten gelden - reden trouwens waarom het gestructureerd en in een voor

leken begrijpbare taal moet zijn opgesteld - en de deskundige attent te maken op de eventuele

vergissingen die hij zou hebben begaan, evenals te protesteren tegen het aanwenden van

bepaalde methodes en werkwijzen of tegen het feit dat de deskundige bepaalde argumenten van

een partij onbeantwoord heeft gelaten.

De deskundige bepaalt vrij de termijn binnen dewelke partijen hun opmerkingen aan hem moeten

mededelen. Het is uiteraard aangewezen om deze termijn voldoende ruim te bemeten en om een

verlenging toe te staan wanneer partijen dit vragen (mits zij hiervoor gegronde redenen

aanvoeren). In de praktijk wordt doorgaans een initiële termijn van een drie- à viertal weken

voorzien.

De vorm van de opmerkingen, evenals de wijze waarop deze aan de expert worden overgemaakt,

is in beginsel vrij. De opmerkingen moeten wel terzake doen, precies en gemotiveerd zijn.

Maakt een partij slechts tegen het einde van de door de deskundige voorziene termijn haar

opmerkingen aan deze laatste over, dan kan hij op verzoek van de andere procespartij(en) -

gebeurlijk een tweede ronde voor opmerkingen voorzien. Door deze tweede ronde, die de andere

partij(en) moet toelaten alsnog te antwoorden op de opmerkingen van de eerste partij, wordt het

beginsel van de tegenspraak ten volle gewaarborgd. Het spreekt echter voor zich dat de

deskundige niet eeuwig nieuwe termijnen voor opmerkingen kan toestaan.

4.4. Bewijswaarde van de materiële vaststellingen van de deskundige.

De deskundige mag, na mededeling te hebben gegeven van zijn voorverslag, er in beginsel niets

meer aan veranderen. Dit geldt met name voor de materiële vaststellingen die de expert

persoonlijk én in het kader van zijn opdracht heeft verricht. Door bepaalde auteurs en een deel

van de rechtspraak wordt immers aangenomen dat deze vaststellingen authentieke bewijswaarde

hebben. De expert zal er - in het licht van een mogelijke klacht wegens valsheid in authentieke

akten - dus goed aan doen om uiterste zorg te besteden aan verklaringen betreffende dergelijke

feiten.

5

Mits hij deze beperking in acht neemt, mag de deskundige echter wel de vergissingen verbeteren

die hij na de mededeling in zijn verslag zou ontdekken. Hij mag ook zijn besluiten wijzigen op

grond van nieuwe gegevens die hem ter kennis komen na de kennisgeving van het voorverslag. In

dit geval moet de expert zijn verbeterd ontwerp uiteraard wel opnieuw aan partijen meedelen, die

er hun opmerkingen kunnen over laten kennen.

4.5. Verzoening van partijen.

Het bevorderen van de verzoening tussen partijen behoort van rechtswege tot de opdracht van de

deskundige. Desgevallend kan de expert partijen uitnodigen om aanwezig te zijn op een

verzoeningsvergadering, die doorgaans plaatsvindt na de mededeling van het voorverslag en de

ontvangst van de opmerkingen van partijen, maar vóór de neerlegging van het definitieve

expertiseverslag.

Nadat hij partijen heeft medegedeeld hoe zijn voorlopig advies er uitziet, raadt hij hen aan om het

geschil op deze basis in der minne te regelen. Komen partijen tot een akkoord (buiten de

deskundige om), dan dienen deze hem hiervan uiteraard onverwijld te verwittigen, zodat hij geen

verdere en onnodige expertisewerkzaamheden meer zou verrichten.

Wel dient opgemerkt dat het, krachtens art. 972 Ger.W., vierde lid, Ger.W., de rechter is die op

verzoek van de partijen het proces-verbaal van verzoening opmaakt. De expert verzoent, de

rechter acteert.

Niets belet partijen echter om, ingeval van verzoening, het akkoord (alvast) in een onderhandse

overeenkomst vast te leggen.

In zijn rol van verzoener der partijen kan de deskundige wel een rol spelen in de - zij het

onrechtstreekse - beëindiging van het geschil. Verzoenen is uiteraard een delicate taak. Vooral

wanneer de expert in zijn verzoeningsopdracht mislukt, loopt hij het gevaar dat de partij door

wiens toedoen de verzoening "mislukte", niet meer in zijn onafhankelijkheid gelooft. In de doctrine

wordt daarom (terecht) verdedigd dat de deskundige die geen verzoening tussen partijen kan

bewerkstelligen, in zijn verslag enkel mag vermelden dat hij getracht heeft partijen te verzoenen,

zonder aan te duiden wat de inhoud was van het verzoeningsvoorstel en wie hieraan niet wenste

mee te werken.

De partijen van hun kant, doen er goed aan om door de gerechtsdeskundige te laten acteren dat

ze slechts aan een verzoeningsvoorstel wensen mee te werken wanneer de door hen gevoerde

briefwisseling en/of gedane voorstellen door hem als strikt vertrouwelijk worden behandeld.

5. Het definitieve expertiseverslag.

5.1. Inhoud en vormvereisten.

a. Algemeen.

Krachtens art. 979 Ger.W., eerste en tweede lid, Ger.W. vermeldt het definitieve verslag de

tegenwoordigheid van de partijen bij de expertiseverrichtingen, hun mondelinge verklaringen en

hun vorderingen. Het vermeldt bovendien de stukken en nota's die de partijen aan de deskundigen

hebben overhandigd. Het verslag mag de tekst ervan slechts overnemen in zoverre dat nodig is

voor de bespreking. Het is uiteraard wenselijk al deze elementen reeds te vermelden in het

voorverslag.

Het definitieve expertiseverslag bevat - benevens alle elementen van het voorverslag (waarop

het voortbouwt) - een gedetailleerd, chronologisch verloop van de verrichtingen na de mededeling

van het voorverslag, evenals het gemotiveerde advies van de expert.

Deze motivering bevat technische beschouwingen met betrekking tot ieder punt van de opdracht

en moet het besluit van de deskundige rechtvaardigen. Een loutere verwijzing naar de persoonlijke

overtuiging van de deskundige, zonder meer, is echter geen afdoende motivering.

6

De motivering van het deskundigenverslag dient uiteraard ook de opmerkingen van partijen op het

voorverslag nauwgezet te beantwoorden. In het eindverslag mogen overigens alleen die

elementen worden opgenomen waarover partijen tegenspraak hebben kunnen voeren.

Wanneer de overtuiging van de deskundige niet op volledige zekerheid berust, dan zal hij

uiteraard ook de graad van overtuiging dienen uit te drukken. Hij kan zulks doen door aan te

duiden dat zijn besluit twijfelachtig voorkomt, mogelijk, aannemelijk of waarschijnlijk is, of met een

aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid werd genomen.

Het behoeft geen betoog dat de motivering van de deskundige wetenschappelijk accuraat moet

zijn, d.i. in overeenstemming met de principes die zijn vakgebied beheersen. De deskundige zal

zijn verslag dus (begrijpelijkerwijze) niet op verouderde zienswijzen of boekwerken mogen

baseren.

Tot slot dient opgemerkt dat de deskundige, ter staving van zijn verslag de deskundige niet mag

verwijzen naar gegevens die vallen onder het beroepsgeheim of die van vertrouwelijke aard zijn.

Zulks kan vooral problemen opleveren ingeval van medische expertises.

Het definitieve verslag eindigt met het besluit van de deskundige (waarin hij elk punt van de

opdracht herneemt en hierop kort antwoordt), gevolgd door de eedformule en de handtekening

van de expert, de datum van het verslag en, tenslotte, de staat van kosten en ereloon.

Het verslag wordt door de deskundige, of zo er meerdere zijn, alle deskundigen

ondertekend. De ondertekening wordt - op straffe van nietigheid - voorafgegaan door

volgende eed: " Ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk

vervuld heb " (art. 979 Ger.W.).

b. Bijlagen.

Als bijlagen bij het verslag dienen te worden gevoegd:

alle door partijen overgelegde en relevante stukken, nodig om het verslag te begrijpen;

de nota's van partijen;

de gevoerde briefwisseling tussen deskundige en partijen (voor zover niet vertrouwelijk);

de resultaten van het eigen onderzoek van de deskundige of van het onderzoek van

derden;

foto's, plans, enz.

c. Taal.

Het deskundigenverslag moet worden opgesteld in de taal van de rechtspleging, d.i. de taal van

het aanstellingsvonnis.

De deskundige zal er derhalve goed aan te doen het gebruik van (al te) technische termen zoveel

mogelijk te vermijden en deze minstens in een voor leken begrijpbare taal toe te lichten.

Om dezelfde reden dient het verslag ook overzichtelijk en goed gestructureerd te zijn: het mag met

name niet verworden tot een ellenlange en gortdroge tekst. Het spreekt voor zich dat ook de

typografie van het verslag ter zake een niet te verwaarlozen rol zal spelen. Evenmin mag de

deskundige zich overgeven aan spot, sarcasme, verontwaardiging, medelijden of andere

stijlvormen die afbreuk zouden kunnen doen aan de waardigheid van zijn beroep en/of de kwaliteit

(objectiviteit, onpartijdigheid) van het verslag.

7

d. College van deskundigen.

Werden meerdere deskundigen aangesteld, dan maken deze één enkel verslag op, dat door alle

deskundigen wordt ondertekend. Zij geven één enkel advies bij meerderheid van stemmen. Bij

verschil van mening dienen de onderscheiden meningen, met vermelding van de gronden ervan,

te worden weergegeven (art. 980 Ger.W.).

Is elk van de deskundigen een andere mening toegedaan en kan er aldus geen meerderheid van

stemmen worden bekomen, dan dienen zij zulks te vermelden in het verslag en de beslissing ter

zake aan de rechter overlaten. Deze beslissing kan bestaan in het gelasten van een nieuwe

expertise, in het verzoek aan de deskundigen om elk afzonderlijk hun besluit mee te delen (alsof

er niet één collegiale expertise, maar drie afzonderlijke expertises voorhanden zijn) of, ten slotte,

in de keuze van één van de adviezen, wanneer de rechter redenen heeft om dit advies bij te

treden.

5.2. Termijn.

De minuut (d.i. het origineel) van het verslag, met bovenvermelde bijlagen, wordt "ingeleverd" op

de griffie van de rechtbank die de expertise heeft bevolen (art. 981 Ger.W.).

Er bestaat discussie over het feit of het verslag moet afgegeven worden op de griffie, dan wel kan

opgestuurd worden. Omwille van het gevaar dat het originele verslag bij de postbedeling verloren

zou gaan, doet de deskundige er wel goed aan bedoeld verslag aangetekend te verzenden.

De termijn waarbinnen het definitieve verslag dient te worden neergelegd, wordt bepaald in het

aanstellingsvonnis (art. 963 Ger.W.)(meestal tussen drie en zes maanden).

De vraag is vanaf welke dag deze termijn begint te lopen. Tenzij anders uitdrukkelijk bepaald in

het vonnis, zijn er zijn gegronde redenen om aan te nemen dat deze termijn begint te lopen vanaf

de dag waarop de expert in kennis wordt gesteld van zijn opdracht of minstens vanaf de dag

waarop de deskundige zijn opdracht aanvaardt.

De overschrijding van de termijn om het deskundigenverslag neer te leggen houdt op zich niet het

verval van de opdracht van de expert in. De in staat van vertraging verkerende expert kan

desgevallend wel worden vervangen (art. 975-976 Ger.W.). Tevens kan zijn aansprakelijkheid

hierdoor in het gedrang komen.

De deskundige moet in dit geval wel aan de rechtbank vragen om verlenging van de termijn toe te

staan.

5.3.Einde van de opdracht.

De expert verliest pas zijn hoedanigheid van gerechtsdeskundige door de neerlegging van zijn

verslag. Vanaf dat ogenblik is de expert ontlast, en het verslag behoort van dan af aan de partijen

toe (in de staat waarin het is neergelegd). De deskundige kan het neergelegde verslag dus niet

meer wijzigen of aanvullen, noch kan hij een ander verslag neerleggen.

Wel dient de deskundige ook na het neerleggen van zijn verslag de vergissingen kenbaar te

maken die hij na de neerlegging ervan zou hebben ontdekt. De rechter kan de materiële

vergissingen van het verslag overigens ook zelf rechtzetten, zonder dat hij hierdoor de

bewijskracht van dit verslag zou schenden.

8

De vraag rijst of de deskundige nog kan/mag antwoorden op de opmerkingen van partijen,

gemaakt na de neerlegging van het eindverslag. Niets belet de deskundige zulks te doen. Het

door de deskundige gegeven antwoord dient echter noodzakelijkerwijze informeel te zijn (bijv. een

brief aan partijen, met een afschrift aan de rechtbank) en kan geenszins de vorm aannemen van

een aanvullend expertiseverslag. De deskundige is na de neerlegging van het eindverslag immers

geen gerechtsdeskundige meer. Alléén de rechter kan zonodig een aanvullend of nieuw

deskundigenonderzoek bevelen.

II. EXPERTISEKOSTEN.

1. Algemeen.

In de praktijk beschouwt de deskundige de partij door wie hij rechtstreeks om de uitvoering van

zijn opdracht wordt verzocht, als de partij die dient in te staan voor de betaling van zijn

voorschotnota's en finaal ook van zijn staat van ereloon en kosten. Van deze werkwijze wordt

enkel afgeweken indien de meest gerede partij nalaat tot betaling over te gaan of indien er

betwisting ontstaat over de omvang van de gevorderde bedragen.

De bestaande praktijk is manifest onwettig. Er is immers geen goede reden voorhanden om af te

wijken van de wettelijke procedure, die zoals gezegd - coherent en eenvoudig is. Bovendien bevat

het aanstellingsvonnis veelal een uitdrukkelijke verwijzing naar de artikelen 962 en volgende van

het Gerechtelijk Wetboek, zodat de gerechtsdeskundige niet zomaar van deze bepalingen kan

afwijken.

2. Het voorschot.

2.1. De consignatie ter griffie.

De deskundige kan, krachtens art. 990 Ger.W., de vervulling van zijn opdracht uitstellen totdat de

meest gerede partij op de griffie een voorschot in consignatie heeft gegeven om in een gematigde

verhouding tot zekerheid te dienen van de betaling van zijn ereloon en de vergoeding van zijn

kosten. Zoals de tekst van dit artikel aangeeft, kan het voorschot niet alleen betrekking hebben op

de expertisekosten, maar bovendien ook op een deel van het ereloon van de expert.

Het voorschot blijft in consignatie totdat het bedrag van het ereloon en de kosten van de expert

definitief is begroot of de partijen, in geval van minnelijke regeling van de zaak, hun instemming

ermede hebben betuigd (art. 990, vijfde lid, Ger.W.).

Wanneer de expertise voor de deskundige hoge kosten met zich mee kan brengen, dan kan de

rechter hem - op een met redenen omkleed verzoekschrift - bovendien machtigen om tijdens het

vervullen van zijn opdracht een gedeelte van het voorschot op te nemen (art. 990, laatste lid,

Ger.W.) Let wel: de wet heeft het alleen over "hoge kosten"; de deskundige mag het voorschot

dus niet opnemen als provisie op zijn honorarium.

2.2.Wie moet het voorschot betalen ?

In beginsel zal de "meest gerede partij" (zie art. 990, eerste lid, Ger.W.) lees: de partij die er het

meeste belang bij heeft - het voorschot aan de deskundige betalen, opdat deze zijn

werkzaamheden zou aanvangen/verderzetten.

Deze "meest gerede partij" is niet noodzakelijk de partij die de expertise heeft gevorderd of heeft

doen uitvoeren. Een partij kan er immers belang bij hebben dat de onderzoeksmaatregel snel

wordt uitgevoerd en daarom bereid zijn het voorschot te consigneren, zelfs al heeft ze de expertise

niet gevorderd.

9

In geval van betwisting of wanneer een partij het verschuldigde voorschot niet stort, geeft de

rechter op verzoek van de meest gerede partij - en dus niet de expert - een bevel tot

tenuitvoerlegging ten belope van het bedrag dat hij vaststelt, na zonodig de opmerkingen van de

betrokkenen in raadkamer te hebben gehoord. Die beschikking is niet vatbaar voor verzet of hoger

beroep (art. 990, vierde lid, Ger.W.).

Uit de bewoordingen van het arrest van 16 november 1989 van het Hof van Cassatie kan worden

afgeleid dat, bij gebreke aan betaling van het voorschot, de rechter die een

deskundigenonderzoek heeft bevolen - onverminderd de toepassing van art. 990, derde lid,

Ger.W. - slechts een bevel tot tenuitvoerlegging kan geven tegen de partij die overeenkomstig

artikel 984 gehouden is het voorschot te betalen. Art. 990, vierde lid, en art. 984, tweede lid,

Ger.W. dienen in dit verband bijgevolg samen te worden gelezen.

3. De staat van ereloon en kosten.

3.1. Algemeen.

De staat van ereloon en kosten van het deskundigenonderzoek wordt onderaan op het verslag

gesteld (art. 981 Ger.W.). De staat vermeldt, behalve een omstandige opgave van de

werkzaamheden, de voorschotten en het ereloon van de deskundige en de totale kosten van de

expertise (art. 982, laatste lid, Ger.W.). Basisregel hierbij is dat deze staat zo gedetailleerd

mogelijk dient te zijn, om latere betwisting zoveel mogelijk te vermijden.

De expertisekosten omvatten de kosten van briefwisseling en verzending, telefoonkosten, kosten

van reproductie, secretariaatskosten, verplaatsingskosten, gebeurlijke verblijfskosten, kosten van

proefnemingen, enz..

Art. 982, eerste lid, Ger.W. bepaalt dat voor verscheidende deskundigen in een zelfde zaak een

gezamenlijke staat wordt opgesteld. Geoordeeld werd evenwel dat deze regel niet op straffe van

nietigheid is voorgeschreven, zodat het feit dat elke deskundige een afzonderlijke staat van

ereloon en kosten heeft opgesteld en deze in het deskundigenverslag liet opnemen, niet de

ongeldigheid van de ereloonstaat tot gevolg heeft.

In dit verband rijst de vraag hoe de verdeling van het honorarium tussen de verschillende

deskundigen dient te geschieden. Het antwoord op deze vraag is vrij eenvoudig: in beginsel

geschiedt deze verdeling per hoofd, tenzij de deskundigen hieromtrent anders overeenkomen. Zo

zou bijv. rekening kunnen worden gehouden met het feit dat een welbepaalde deskundige instond

voor de redactie van het verslag of beduidend meer tijd heeft besteed aan de uitvoering van de

opdracht dan de andere deskundigen.

Werden in het aanstellingsvonnis evenwel meerdere deskundigen gelast met een onderscheiden

opdracht, dan dient elke deskundige een aparte staat van ereloon en kosten op te stellen. Er is

dan immers geen sprake van een college van deskundigen in de ware zin van het woord.

3.2. Criteria bij de bepaling van het honorarium.

A. Algemeen.

Krachtens art. 982 Ger.W. wordt de staat van ereloon en kosten van de deskundige, behoudens

andersluidende wetsbepaling, opgemaakt met inachtneming van de hoedanigheid van de expert,

de moeilijkheid en de duur van de verrichte werkzaamheden en de waarde van het geschil. Deze

wettelijke criteria dienen cumulatief te worden toegepast.

De ontwijking van de wettelijke criteria door het voorafgaandelijk aangaan van een overeenkomst

tussen deskundige en partijen omtrent het verschuldigde honorarium, is ontoelaatbaar.

10

Er bestaan, enkele uitzonderingen niet te na gesproken, geen wettelijke barema's die het ereloon

van de expert bepalen (althans in civiele zaken sensu stricto).

Richtlijnen houdende minimale erelonen en kosten, uitgevaardigd door een beroepsorganisatie

van experten, kunnen een leidraad voor de deskundige zijn bij het bepalen van zijn honorarium,

maar deze laatste dient steeds - althans bij gerechtelijke expertises - alle wettelijke criteria in acht

te nemen. Enkel wanneer de professionele barema's een strikte afspiegeling zijn van deze criteria

(hetgeen uiteraard weinig waarschijnlijk is), zouden ze op zich kunnen volstaan om het ereloon

van de deskundige te verantwoorden.

Bovendien is de taxatierechter geenszins door deze richtlijnen gebonden. Omgekeerd mag ook hij

zijn beslissing niet louter baseren op professionele barema's. Alleen de wettelijke criteria,

desgevallend aangevuld met criteria van jurisprudentiële oorsprong, vormen de toetssteen voor

het taxeren van het ereloon van de deskundige.

Tot slot dient opgemerkt dat de door de deskundige aangerekende prestaties verantwoord dienen

te zijn in het licht van de hem gegeven opdracht. Levert de expert prestaties die in het kader van

deze opdracht nutteloos blijken te zijn, dan worden deze niet vergoed,c.q. komen ze niet voor

taxatie in aanmerking.

B. Wettelijke criteria.

a. De hoedanigheid van de expert.

Dit criterium doelt op de technische bekwaamheid en/of ervaring van de expert en is aldus

wezenlijk van subjectieve aard.

In de praktijk doet dit criterium weinig problemen rijzen. Dit is uiteraard geen toeval: in het

merendeel van de gevallen wordt de deskundige immers benoemd door de rechter, precies

omwille van zijn (gekende of veronderstelde) kwaliteiten.

b. De duur van de expertisewerkzaamheden.

Het criterium van de duur van de expertisewerkzaamheden is een objectief criterium. Ook dit

criterium doet in de praktijk relatief weinig problemen rijzen.

Hoewel art. 982, derde lid, Ger.W. bepaalt dat de staat van ereloon en kosten van de deskundige

een omstandige opgave van de verrichte werkzaamheden dient te bevatten, is de expert - althans

voor zover hij door partijen niet om opheldering wordt verzocht - niet verplicht de berekeningswijze

van zijn honorarium te motiveren. Het verdient echter wel aanbeveling steeds te motiveren.

Veelal berekent de deskundige zijn ereloon aan de hand van een bepaald uurtarief,

vermenigvuldigd met het aantal daadwerkelijk gepresteerde uren (d.i. de zgn. "timing cost"-

methode). Een dergelijke berekeningsmethode is toegelaten, mits de deskundige uiteraard ook

rekening houdt met de overige wettelijke criteria. Bovendien zal hij het beweerd aantal

gepresteerde uren op redelijke wijze moeten kunnen verantwoorden. Tenslotte mag de

deskundige slechts de normale tijd in acht nemen die nodig is om zijn werkzaamheden te

verrichten. Indien hij door gebrek aan ervaring of kennis buitengewoon veel tijd aan een

verrichting moet besteden, mogen de partijen hiervan uiteraard niet het slachtoffer worden.

c. De moeilijkheid van de expertisewerkzaamheden.

Dit criterium - dat wezenlijk van technische aard is - is vrij duidelijk en geeft evenmin aanleiding tot

veel discussie. De ene opdracht is immers de andere niet. Wel dient opgemerkt dat niet zozeer de

aard van de bestudeerde materie, maar wel de complexiteit van het concrete probleem de

moeilijkheid van de expertisewerkzaamheden zal bepalen.

11

d. De waarde van het geschil.

Het criterium van de waarde van het geschil tenslotte, is een kwantitatief criterium. Omtrent de

verhouding tussen de gevorderde erelonen en kosten en de waarde van het geschil, rijzen veel

betwistingen.

De deskundige heeft de verplichting om, wanneer hij vaststelt dat de moeilijkheid en/of de duur

van de te verrichten werkzaamheden tot een honorarium zou kunnen leiden dat niet langer in

verhouding staat tot de waarde van het geschil, partijen hierover in te lichten, zodat hij hun

akkoord kan bekomen nopens het beperken van het deskundigenonderzoek tot minder dure

verrichtingen, het afsluiten van zijn opdracht in de staat waarin het onderzoek zich bevindt of het

verrichten van de geplande verrichtingen zonder rekening te moeten houden met de waarde van

het geschil.

Bij omvangrijke, lang aanslepende zaken doet de deskundige er goed aan regelmatig de stand

van de expertisekosten mededelen aan partijen, zodat zij op het einde van het

deskundigenonderzoek niet verrast worden door de omvang ervan.

Verricht de expert - zonder dat hij hiertoe het akkoord van partijen heeft bekomen - handelingen

die niet verantwoord zijn in het licht van de waarde van het geschil, dan kan zulks gebeurlijk

aanleiding geven tot een vermindering van zijn honorarium. Deze regel is echter niet absoluut: zo

kan bijv. rekening worden gehouden met het feit dat partijen werden bijgestaan door advocaten

die vertrouwd zijn met expertises in bouwzaken, zodat de staat van ereloon en kosten van de

deskundige geen verrassing kon zijn.

Omgekeerd kan een procespartij echter ook aandringen op het verrichten van

expertisewerkzaamheden die niet in verhouding staan tot de waarde van het geschil, bijv. omdat

het geding voor haar een princiepkwestie is. In hoofde van de expert zal, met name wanneer de

andere procespartijen zich verzetten tegen het uitvoeren van dergelijke verrichtingen,

waakzaamheid geboden zijn. Desgevallend kan de deskundige weigeren de betreffende

verrichtingen uit te voeren en zich richten tot de rechter, met het oog op het uitoefenen van de

controlebevoegdheid van deze laatste (art. 973 Ger. W.).

C. Andere criteria.

Er wordt algemeen aanvaard dat de opsomming van criteria in art. 982 Ger.W. louter indicatief is

en dus geenszins als limitatief of exhaustief mag worden beschouwd.

Bij de bepaling van zijn ereloon kan de expert aldus ook andere elementen in aanmerking nemen,

zoals de vertraging in het neerleggen van het deskundigenverslag, zijn beperkte praktijkervaring,

of de financiële draagkracht van partijen.

Hij doet er, ingeval van vrijwillige reductie van zijn honorarium, echter wel goed aan dit

uitdrukkelijk te vermelden, ten einde te voorkomen dat de rechter, in geval van taxatie, nogmaals

zijn ereloon zou verminderen.

3.3. Betaling van het honorarium.

A. Verzending van de ereloonstaat aan partijen.

Boven werd reeds opgemerkt dat de minuut (d.i. het origineel) van het expertiseverslag, met

bijlagen, wordt "ingeleverd" op de griffie van de rechtbank die de expertise heeft bevolen (art. 981

Ger.W.).

12

Op de dag van de inlevering (d.i. neerlegging) van het definitieve verslag zendt de deskundige bij

ter post aangetekende brief aan de partijen een eensluidend verklaard afschrift van het verslag en

van de daarin opgenomen staat van ereloon en kosten. Een niet-getekend afschrift van deze

documenten wordt door de expert aan de advocaten van de partijen gezonden (art. 983 Ger.W.).

De verzending van bedoeld afschrift aan partijen moet beschouwd worden als een aanmaning tot

betaling van de staat, zodat vanaf dat ogenblik de verwijlintresten beginnen te lopen. De loutere

neerlegging van het expertiseverslag ter griffie geldt echter niet als aanmaning.

De expert mag in geen geval de inlevering of mededeling van zijn verslag afhankelijk stellen van

de voorafgaande betaling van zijn ereloon en kosten. Doet de deskundige dit toch en loopt de

procesgang hierdoor (ernstige) vertraging op, dan kan de deskundige gebeurlijk voor deze

vertraging aansprakelijk worden gesteld.

B. Reactie van partijen.

Partijen kunnen na ontvangst van de staat van de deskundige vier houdingen aannemen, die

hieronder worden besproken.

a. Eerste hypothese: partijen stemmen in met de ereloonstaat van de expert en delen dit (al dan

niet) mede aan de rechter.

Indien alle partijen binnen de vijftien dagen na de neerlegging van het verslag ter griffie schriftelijk

aan de rechter hebben meegedeeld dat zij het eens zijn met het door de expert gevorderde

bedrag van ereloon en kosten, dan worden deze door de rechter begroot onderaan op de minuut

van de staat en wordt daarvan een bevel tot tenuitvoerlegging uitgegeven tegen de partij die het

deskundigenonderzoek heeft gevorderd, of die het, als het ambtshalve bevolen is, heeft doen

uitvoeren (art. 984, eerste lid, Ger.W.) Dergelijke taxatie is definitief en riet vatbaar voor enig

rechtsmiddel.

Het akkoord waarvan sprake dient uit te gaan van alle partijen. Indien één enkele partij de staat

betwist, dient de taxatieprocedure omschreven sub b. te worden gevolgd.

Art. 984, eerste lid, Ger.W. wordt in de praktijk echter zelden toegepast. Veelal is dit te wijten aan

partijen die, ingeval van akkoord gevolgd door spontane betaling, nalaten de rechter hiervan op de

hoogte te brengen. Dit heeft tot gevolg dat de rechter pas geïnformeerd wordt over het akkoord

van partijen bij de vereffening van de kosten in de zaak ten gronde. De partij die de staat van de

expert heeft voldaan, zal deze immers opnemen onder de kostenbegroting in haar conclusie voor

de rechter die over de grond van het geschil moet oordelen.

b. Tweede hypothese: partijen betwisten (impliciet of expliciet) de ereloonstaat van de deskundige

en laten overgaan tot de begroting van diens ereloon.

Hebben niet alle partijen binnen voormelde termijn hun instemming betuigd en/of wordt de

ereloonstaat van de deskundige formeel betwist, dan hoort de rechter tot wie de expert of één van

de partijen zich bij verzoekschrift heeft gewend, in raadkamer de deskundige en de partijen, en

bepaalt hij het bedrag van het ereloon en de kosten.

c. Derde hypothese: partijen betwisten de ereloonstaat van de deskundige, maar laten niet

overgaan tot de begroting van diens ereloon.

13

Niet voorzien in het Ger.W. is de hypothese waarbij de procespartijen het honorarium van de

gerechtsdeskundige weliswaar formeel betwisten, maar deze laatsten (of de deskundige zelf) om

één of andere reden niet laten overgaan tot begroting van het ereloon overeenkomstig art. 984,

tweede lid, Ger.W en voor het overige een afwachtende houding aannemen.

De rechtspraak van de lagere rechtbanken is hieromtrent verdeeld. In een deel van de rechtspraak

wordt - o.i. terecht - geoordeeld dat dit artikel de rechter in voorkomend geval geval niet verbiedt

om de ereloonstaat ,van de deskundige ambtshalve te begroten in zijn eindvonnis over de grond

van de zaak. In een recentere uitspraak werd evenwel geoordeeld dat de bodemrechter in dat

geval de kosten van het deskundigenonderzoek dient aan te houden, totdat het ereloon van de

deskundige werd getaxeerd overeenkomstig art. 984, tweede lid, Ger. W..

d. Vierde hypothese: een procespartij betaalt vrijwillig de ereloonstaat van de deskundige, terwijl

niet alle partijen met deze staat instemmen.

Evenmin voorzien in art. 984 Ger.W. - is de hypothese waarin niet alle partijen (binnen de wettelijk

bepaalde termijn) hun instemming hebben betuigd met de staat van ereloon en kosten van de

deskundige, en één van hen de deskundige heeft betaald. In dit geval zal er geen aanleiding zijn

tot taxatie van het ereloon van de deskundige, aangezien deze laatste hier niet langer belang bij

heeft.

e. Een bijzonder geval: de deskundige dient zijn ereloonstaat niet in.

Indien de expert zijn staat van ereloon en kosten niet indient, kunnen de partijen in een

verzoekschrift aan de rechter vragen deze staat te begroten. Werd de zaak in der minne geregeld,

dan mag dit verzoekschrift niet vroeger worden ingediend dan vijftien dagen nadat die schikking

aan de expert ter kennis is gebracht (art. 988 Ger.W.).

Werd de staat van ereloon en kosten van de deskundige bepaald bij toepassing van art. 988

Ger.W. en ontvangt deze geen betaling hiervan, dan zou hij met een afzonderlijk verzoekschrift

een bevel tot tenuitvoerlegging kunnen vorderen, naar analogie met art. 984, tweede lid, Ger.W.

Het behoeft evenwel geen betoog dat de deskundige slechts in zeer uitzonderlijke

omstandigheden (nalatigheid, overmacht, akkoord tussen partijen waarvan hij onwetend is, ...) zijn

staat van ereloon en kosten niet zal neerleggen.

C.Gemeenrechtelijke rechtspleging.

De expert die de betaling van zijn staat van ereloon en kosten wenst te bekomen, is niet verplicht

de procedure van art. 984 Ger.W. te volgen. Hij kan zijn vordering ook langs gemeenrechtelijke

weg - bij dagvaarding via gerechtsdeurwaardersexploot of middels een vrijwillige verschijning van

expert en (alle) partijen - instellen. Het feit dat de wet (art. 984, tweede lid, Ger.W.) in een

procedure op verzoekschrift voorziet, maakt in de regel de inleiding van het geding bij dagvaarding

immers niet ongeldig.

Wel zal de deskundige gebeurlijk de meerkost die de gemeenrechtelijke inleiding van het geding

met zich mee brengt, dienen te dragen. Bovendien blijft de vraag of de rechter bij wie de

gemeenrechtelijke vordering van de deskundige aanhangig werd gemaakt, de kosten en erelonen

zelf kan begroten, dan wel of de staat eerst overeenkomstig art. 984 e.v. Ger.W. zal dienen te

worden begroot door de daartoe bevoegde rechter, zijnde de rechter die het

deskundigenonderzoek heeft bevolen.

Tenslotte dient opgemerkt dat de in de wet uitgewerkte procedure hoe dan ook minder zwaar en

ingewikkeld is dan een gemeenrechtelijke vordering.

14

WETTEKSTEN

Afdeling VI. Deskundigenonderzoek.

Art. 962. De rechter kan, ter oplossing van een voor hem gebracht geschil of ingeval een geschil

werkelijk en dadelijk dreigt te ontstaan, deskundigen gelasten vaststellingen te doen of een

technisch advies te geven.

Art. 963. Het vonnis waarbij het deskundigenonderzoek wordt bevolen, omschrijft nauwkeurig het

voorwerp ervan en bepaalt een termijn voor het indienen van het verslag.

Art. 964. Indien de partijen op het ogenblik van het vonnis dat het deskundigenonderzoek beveelt,

overeengekomen zijn omtrent de benoeming van de deskundige, bekrachtigt de rechter hun

overeenkomst.

Ieder door de rechter benoemde deskundige kan, alvorens hij van zijn benoeming kennis krijgt,

worden vervangen bij overeenkomst tussen de partijen, die door hen ondertekend wordt en bij het

dossier van de rechtspleging wordt gevoegd.

Art. 965. Op verzoek van de meest gerede partij zendt de griffier bij gerechtsbrief aan de

deskundigen een uitsluitend verklaard afschrift van het vonnis.

Binnen acht dagen geven de deskundigen per brief aan de rechter en de partijen kennis van de

plaats, de dag en het uur waarop zij hun werkzaamheden zullen aanvangen.

Art. 966. De deskundigen kunnen worden gewraakt om dezelfde redenen als de rechters.

Art. 967. Iedere deskundige die weet dat er enige reden van wraking tegen hem bestaat, is ertoe

gehouden zulks onverwijld aan de partijen mee te delen en zich van de zaak te onthouden indien

de partijen hem geen vrijstelling verlenen.

Art. 968. De deskundige die de partijen kiezen, kan alleen worden gewraakt om redenen die

ontstaan zijn of bekend geworden zijn sedert zijn aanwijzing.

Art. 969. Na de eerste bijeenkomst voor het deskundigenonderzoek mag geen wraking meer

worden voorgedragen tenzij de partij eerst nadien kennis heeft gekregen van de wrakingsgronden.

Art. 970. De partij die middelen van wraking wil aanvoeren, moet ze voordragen in een

verzoekschrift aan de rechter die de deskundige heeft aangewezen, tenzij deze zich zonder

formaliteiten onthoudt.

Het verzoekschrift moet worden ingediend binnen acht dagen nadat de partij kennis heeft

gekregen van de redenen van de wraking.

Art. 971. De griffier zendt bij gerechtsbrief een eensluidend afschrift van de akte van wraking aan

de gewraakte deskundige; tevens bericht hij hem dat hij binnen acht dagen moet verklaren of hij in

de wraking berust dan wel of hij ze betwist.

De wraking wordt toegestaan, indien de deskundige erin berust of ze onbeantwoord laat; wanneer

de deskundige de wraking betwist, doet de rechter uitspraak, nadat hij de partijen en de

deskundige in raadkamer heeft gehoord.

Wordt de wraking verworpen, dan kan de partij die ze heeft voorgedragen, veroordeeld worden tot

schadevergoeding jegens de deskundige indien deze dit vordert; in dit laatste geval echter kan hij

geen deskundige blijven in de zaak.

Het vonnis inzake wraking is uitvoerbaar niettegenstaande voorziening.

Staat het vonnis de wraking toe, dan wijst het ambtshalve de nieuwe deskundige aan, tenzij de

partijen op het ogenblik van het vonnis overeengekomen zijn over de keuze van een deskundige.

15

Art. 972. De partijen stellen de deskundigen alle nodige stukken ter hand.

Zij doen aan de deskundigen alle dienstige vorderingen.

De deskundigen horen de partijen en bevorderen hun verzoening.

Op verzoek van de partijen maakt de rechter het proces-verbaal van de verzoening op.

De partijen kunnen hun overeenkomst ook bij vonnis doen bekrachtigen.

Art. 973. De deskundigen vervullen hun opdracht onder toezicht van de rechter.

Deze kan te allen tijde, ambtshalve of op verzoek, de verrichtingen bijwonen. De griffier verwittigt

bij gewone brief de deskundigen en de advocaten van de partijen.

De partijen worden opgeroepen om aanwezig te zijn bij alle verrichtingen van de deskundige,

tenzij zij hem ervan ontslagen hebben hen te verwittigen.

Art. 974. Behoudens overeenstemming tussen de partijen, geven de deskundigen alleen advies

over de in het vonnis bepaalde punten.

Iedere partij kan, indien daartoe grond bestaat, de zaak opnieuw ter zitting brengen om de

opdracht van de deskundige te doen uitbreiden.

Art. 975. Indien de deskundigen het verslag niet kunnen inleveren binnen de termijn, zoals die in

het vonnis is bepaald of in voorkomend geval door de partijen is verlengd, zijn zij ertoe gehouden

de rechter bij een met redenen omkleed schrijven om verlenging van die termijn te verzoeken; zij

zenden een afschrift van dat verzoek aan de partijen of hun advocaten.

Op de dag door de rechter bepaald, hoort de rechter in raadkamer de door de griffier verwittigde

deskundigen en partijen, tenzij het incident voordien geregeld is.

Art. 976. Indien de rechter weigert aan de deskundigen een nieuwe termijn toe te staan voor het

inleveren van hun verslag, ontslaat hij hen van hun opdracht en benoemt bij hetzelfde vonnis

nieuwe deskundigen. De rechter bepaalt tegelijkertijd het bedrag van de kosten en erelonen die de

partijen, naar zijn oordeel, verschuldigd zijn aan de deskundigen, ondanks hun vervanging en

onverminderd de schadevergoeding waartoe dezen mochten gehouden zijn.

Art. 977. Telkens wanneer er reden is om deskundigen te vervangen, vraagt de meest gerede

partij zulks bij verzoekschrift.

De partijen mogen de nieuwe deskundigen kiezen; maken zij van dat recht geen gebruik, dan

worden de nieuwe deskundigen ambtshalve door de rechter benoemd.

Art. 978. Na afloop van de verrichtingen geven de deskundigen kennis van hun bevindingen aan

de partijen, wier opmerkingen zij aantekenen.

De partijen kunnen de deskundigen van die formulieren vrijstellen.

Art. 979. Het verslag vermeldt de tegenwoordigheid van de partijen bij de verrichtingen, hun

mondelinge verklaringen en hun vorderingen.

Het vermeldt bovendien de stukken en nota's die de partijen aan de deskundigen hebben

overhandigd; het mag de tekst ervan slechts overnemen in zoverre dat nodig is voor de

bespreking.

Het verslag wordt door alle deskundigen ondertekend. De ondertekening door de deskundigen

wordt, op straffe van nietigheid, voorafgegaan door de als volgt gestelde eed :

"Ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk vervuld heb".

of :

"Je jure avoir rempli ma mission en honneur et conscience, avec exactitude et probité".

of :

"Ich schwöre, dass ich den mir erteilten Auftrag auf Ehre und Gewissen, genau und ehrlich erfüllt

habe".

Art. 980. De deskundigen maken één enkel verslag op, zij geven één enkel advies bij

meerderheid van stemmen.

16

Bij verschil van mening, vermelden zij de onderscheiden meningen met de gronden ervan.

Art. 981. De minuut van het verslag en de nota's van de partijen worden op de griffie ingeleverd.

De staat van ereloon en kosten van het deskundigenonderzoek wordt onderaan op het verslag

gesteld.

Art. 982. Voor verscheidene deskundigen in een zelfde zaak wordt een gezamenlijke staat

opgemaakt.

Behoudens een andersluidende wetsbepaling, wordt de staat opgemaakt met inachtneming van

de hoedanigheid van de deskundigen, de moeilijkheid en de duur van de verrichte

werkzaamheden en de waarde van het geschil.

De staat vermeldt, behalve een omstandige opgave van die werkzaamheden, de voorschotten en

het ereloon van iedere deskundige en de totale kosten van het deskundigenonderzoek.

Art. 983. Op de dag van de inlevering van het verslag zenden de deskundigen bij ter post

aangetekende brief aan de partijen een eensluidend verklaard afschrift van het verslag en van de

daarin opgenomen staat van erelonen en kosten.

Een niet ondertekend afschrift van deze documenten wordt door de deskundigen aan de

advocaten van de partijen toegezonden.

Art. 984. Indien de partijen binnen vijftien dagen na de inlevering van het verslag schriftelijk aan

de rechter hebben meegedeeld dat zij het eens zijn met het bedrag van het ereloon en de kosten

door de deskundigen gevorderd, worden deze door de rechter begroot onderaan op de minuut van

de staat en wordt daarvan een bevel tot tenuitvoerlegging uitgegeven tegen de partij die het

deskundigenonderzoek heeft gevorderd, of die het, ingeval het ambtshalve bevolen is, heeft doen

uitvoeren.

Indien de partijen binnen de voormelde termijn hun instemming niet hebben betuigd, hoort de

rechter tot wie de deskundige of een van de partijen zich met een verzoekschrift heeft gewend, in

raadkamer de deskundige en de partijen, door de griffier bij gerechtsbrief opgeroepen, en hij

bepaalt het bedrag van het ereloon en de kosten; dat vonnis is uitvoerbaar tegen de partijen die

het deskundigenonderzoek hebben gevorderd of tegen die welke het, ingeval het ambtshalve

bevolen is, hebben doen uitvoeren.

Art. 985. Wanneer de rechter een onderzoeksmaatregel beveelt, kan hij beslissen dat een

deskundige daarbij tegenwoordig zal zijn om technische toelichting te verstrekken.

De deskundige legt mondeling de eed af in de volgende bewoordingen :

"Ik zweer dat ik alle gevraagde toelichting in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk zal

verstrekken".

of :

"Je jure de donner toutes les explications qui me seront demandées, en honneur et conscience,

avec exactitude et probité".

of :

"Ich schwöre, alle geforderten Erläuterungen auf Ehre und Gewissen, genau und ehrlich zu

geben".

De eedaflegging en de toelichting van de deskundige worden aangetekend in het proces-verbaal.

Het ereloon en de kosten van de deskundigen worden door de rechter of door de aangestelde

rechter definitief begroot onderaan op het proces-verbaal. Een bevel tot tenuitvoerlegging ervan

wordt uitgegeven tegen de partij die de onderzoeksmaatregel heeft gevorderd of tegen de partij

die de maatregel, ingeval deze ambtshalve bevolen is, heeft doen uitvoeren.

Art. 986. De rechters zijn niet verplicht het advies van de deskundigen te volgen, indien het strijdig

is met hun overtuiging.

17

Art. 987. Indien de rechter in het verslag niet voldoende opheldering vindt, kan hij een aanvullend

onderzoek door dezelfde deskundigen ofwel een nieuw onderzoek door andere deskundigen

bevelen.

De nieuwe deskundigen mogen aan de vroeger benoemde deskundigen de inlichtingen vragen die

zij geraden achten.

De rechter kan ook, tijdens het gehele verloop van de debatten, de deskundigen ter zitting horen;

deze mogen zich bij dat verhoor van stukken bedienen.

De verklaringen van de deskundigen worden aangetekend in een proces-verbaal, dat de rechter,

de griffier en zijzelf ondertekenen na lezing en eventuele opmerkingen.

Het ereloon en de kosten van de deskundigen in verband met hun verhoor worden door de rechter

definitief begroot onderaan op minuut van dat proces-verbaal en daarvan wordt een bevel tot

tenuitvoerlegging uitgegeven tegen de partij die het deskundige onderzoek heeft gevorderd of

heeft doen uitvoeren.

Op verzoek van de partijen kan de rechter onder dezelfde voorwaarden hun technische

raadgevers horen, die hij erkent maar wier ereloon en kosten niet worden begroot.

De deskundigen worden ter zitting opgeroepen door de griffier.

Alvorens te worden gehoord leggen zij de volgende eed af :

"Ik zweer dat ik in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk verslag zal doen".

of :

"Je jure de faire mon rapport en honneur et conscience, avec exactitude et probité".

of :

"Ich schwöre mein Gutachten auf Ehre und Gewissen, genau und ehrlich abzugeben".

De partijen of hun advocaten worden eveneens bij deze verrichtingen opgeroepen.

Art. 988. Indien de deskundigen hun staat van erelonen en kosten niet indienen, kunnen de

partijen in een verzoekschrift aan de rechter vragen deze te begroten.

De deskundigen en de partijen of hun advocaten worden in raadkamer opgeroepen door de

griffier.

Indien de zaak in der minne is geregeld, mag het in het eerste lid bedoelde verzoekschrift niet

vroeger worden ingediend dan vijftien dagen nadat die schikking ter kennis gebracht is van de

deskundigen.

Art. 989. In zaken in hoger beroep kan de rechter een deskundige benoemen om mondeling

verslag te doen op de daartoe vastgestelde zitting; de rechter kan die deskundige ook gelasten

tijdens zijn verhoor staten van beschrijving, plans of foto's over te leggen, die dienstig zijn voor de

oplossing van het geschil.

Alvorens verslag te doen, legt de deskundige mondeling de eed af, die in artikel 987

voorgeschreven is.

De deskundige mag zich van stukken bedienen.

Van de eedaflegging en van de verklaringen van de deskundige wordt proces-verbaal opgemaakt.

Voor de begroting van de kosten en het ereloon van de deskundige en voor de uitgifte van het

bevel tot tenuitvoerlegging wordt gehandeld overeenkomstig artikel 984.

Art. 990. De deskundigen kunnen de vervulling van hun opdracht uitstellen totdat de meest

gerede partij op de griffie een voorschot in consignatie heeft gegeven om in een gematigde

verhouding tot zekerheid te dienen van de betaling van hun ereloon en de vergoeding van hun

kosten.

Indien een voorschot op enige wijze wordt gestort, is de deskundige verplicht tot teruggave.

De consignatie van het voorschot moet worden verricht door de partij die volgens bijzondere

wetten of artikel 1017, tweede lid, steeds in de kosten wordt verwezen.

In geval van betwisting of wanneer de partij het verschuldigd voorschot niet stort, geeft de rechter

die het deskundig onderzoek gelast heeft, op verzoek van de meest gerede partij, een bevel tot

tenuitvoerlegging ten belope van het bedrag dat hij vaststelt, na zo nodig de opmerkingen van de

betrokkenen in raadkamer te hebben gehoord. Die beschikking is niet vatbaar voor verzet of hoger

beroep.

18

Het voorschot blijft in consignatie op de griffie totdat het ereloon en de kosten van de deskundigen

definitief begroot zijn, of de partijen hun instemming hebben betuigd met het bedrag ervan

wanneer de zaak in der minne is geregeld.

De deskundigen nemen het voorschot vervolgens op ten belope van de hun verschuldigde som en

het eventuele overschot wordt teruggegeven aan de partij die het voorschot in consignatie heeft

gegeven.

Wanneer het deskundigenonderzoek voor de deskundigen hoge koste kan medebrengen, kan de

magistraat die bevoegd is om het bedrag van het voorschot vast te stellen, de deskundigen, op

een met redenen omkleed verzoekschrift, machtigen om tijdens het vervullen van hun opdracht

een gedeelte van het op de griffie in consignatie gegeven voorschot op te nemen.

Art. 991. De hoven en rechtbanken mogen lijsten van deskundigen opmaken, overeenkomstig de

regels die de Koning bepaalt.

Tekst:

Prof. P. Taelman

Universiteitstraat, 4

9000 Gent

Piet.Taelman@rug.ac.be

Samenvatting en lay-out

Eric Beaucourt – voorzitter rechtbank eerste aanleg Gent

Koophandelsplein, 23

9000 Gent

eric.beaucourt@pi.be

http://home2.pi.be/ebeaucou

http://just.fgov.be

19

Niets uit deze brochure mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel

van druk, fotokopie of op welke wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming

van de auteur.